Duitse grammatica

Duits·Basis

Persoonlijke voornaamwoorden

ihn of ihm, sie of ihr: de naamval bepaalt welke vorm je pakt.

Meteen oefenen

4 stappen, 8 oefenzinnen.

Oefenen

Zo loopt dit onderdeel

  1. 1Dezelfde vraag, een kortere tabelLezen: de regel met de voorbeelden erbij.
  2. 2De voornaamwoorden in drie naamvallenDe tabel zelf invullen, tot hij helemaal klopt.
  3. 3ihn, ihm, sie of ihr5 zinnen om zelf te maken.
  4. 4Zelf een zin schrijven3 zinnen om zelf te maken.

In het Nederlands zie je het ook: "hij" wordt "hem" zodra er iets met hem gebeurt. Duits doet hetzelfde, maar met één laag erbij, want er is ook nog een derde naamval.

1. Nominativ4. Akkusativ3. Dativ
ichmichmir
dudichdir
erihnihm
sie (zij)sieihr
esesihm
wirunsuns
ihreucheuch
sie (zij, mv.)sieihnen
Sie (u)SieIhnen

Waar staan ze in de zin?

Een voornaamwoord schuift naar voren. Staan er twee voorwerpen, dan komt de vierde naamval vóór de derde als het om een voornaamwoord gaat, precies andersom dan bij gewone naamwoorden.

Ich gebe dem Kind das Buch. twee naamwoorden: 3e voor 4e

Ich gebe es dem Kind. voornaamwoord eerst

Ich gebe es ihm. allebei voornaamwoord: 4e voor 3e

Sie met een hoofdletter

Sie met een hoofdletter is "u", en het gaat als het meervoud sie: Sie sind, ich sehe Sie, ich helfe Ihnen. In een brief of tegen een onbekende gebruik je dat, en de hoofdletter mag je niet vergeten: sie met een kleine letter betekent zij.

Veelgestelde vragen

Wanneer is het ihn en wanneer ihm?
ihn bij een lijdend voorwerp (ich sehe ihn) en ihm bij een meewerkend voorwerp of na een werkwoord dat de derde naamval vraagt (ich helfe ihm, ich gebe ihm das Buch).

Nu zelf invullen

Lezen gaat vanzelf; opschrijven is waar het blijft hangen. 8 zinnen om zelf te maken, en bij elk antwoord staat er in één zin bij waarom het zo is.

Beginnen met oefenen

Andere onderwerpen in het Duits