Frans
Franse grammatica
De vervoegingen, de twee verleden tijden en de woordjes die voor het werkwoord springen. Bij elk onderwerp staat eerst de regel en daarna de oefening, waarin je de vorm zelf opschrijft.
De tegenwoordige tijd
BasisDrie groepen uitgangen, en een handvol werkwoorden die zich nergens iets van aantrekken.
8 zinnen om te oefenen
De passé composé
Bovenbouwavoir of être, plus een voltooid deelwoord dat soms met het onderwerp meebuigt.
8 zinnen om te oefenen
Imparfait of passé composé
BovenbouwDe ene vertelt wat er gebeurde, de andere hoe het eromheen was.
8 zinnen om te oefenen
Het bijvoeglijk naamwoord
BasisHet buigt mee met het woord waar het bij hoort, en het staat meestal erachter.
8 zinnen om te oefenen
De voornaamwoorden voor het werkwoord
Examenle, la, lui, y en en springen vóór het werkwoord, en ze hebben een vaste volgorde.
8 zinnen om te oefenen
Grammatica en woordjes horen bij elkaar
Een regel zonder woorden om hem op toe te passen blijft een rijtje, en woorden zonder regel blijven losse briefjes. Wissel het daarom af: een kwartier woorden leren en dan een regel hier, of andersom. In een mondeling komen ze vanzelf samen.