Lijsten
Mondelingen
Duits leren op Woordvos
De vijfduizend meest gebruikte Duitse woorden staan klaar, op volgorde van hoe vaak je ze tegenkomt, met het lidwoord erbij en bij de meeste een voorbeeldzin. Het lidwoord telt mee bij het nakijken, want der Bahnhof leren en later het lidwoord erbij zoeken is het werk twee keer doen.
Daarnaast staat de hele syllabus mondeling Duits klaar: van `Wortschatz Allgemein` en `A. Schule` tot de vier delen van `E. Politik und Gesellschaft`. Elk mondeling loopt in vier stappen van losse woorden naar een gesprek waarin je in je eigen woorden antwoordt.
Duitse grammatica
Van der, die, das tot de bijzin met weil. Elk onderdeel begint met de les en de tabel, daarna vul je die tabel zelf in, en daarna schrijf je de vormen in hele zinnen op.
- De vier naamvallenWelke naamval een woord krijgt hangt af van wat het in de zin doet, niet van het woord zelf.
- Der, die of dasHet geslacht is niet te raden, maar aan de uitgang van een woord is het vaak wel te zien.
- Persoonlijke voornaamwoordenihn of ihm, sie of ihr: de naamval bepaalt welke vorm je pakt.
- Het bijvoeglijk naamwoordWat er achter groß komt hangt af van wat ervóór staat: der, ein of niets.
- Vergelijken: groß, größer, am größtenDrie trappen, een umlaut die er soms bij komt, en het verschil tussen als en wie.
- De tegenwoordige tijdZes uitgangen die overal gelijk zijn, en een groep werkwoorden die bij du en er van klinker wisselt.
- Modale werkwoordenkönnen, müssen, dürfen, wollen, sollen en mögen: zij worden vervoegd, en het andere werkwoord gaat kaal naar achteren.
- Scheidbare werkwoordenHet voorvoegsel schiet los en gaat helemaal naar het eind van de zin.
- Werkwoorden met sichZich wassen, zich vergissen, zich verheugen: het voornaamwoord verandert mee met de persoon.
- De gebiedende wijsDrie vormen, want Duits maakt onderscheid tussen du, ihr en Sie.
- De PerfektZo praat een Duitser over gisteren: haben of sein op plek twee, het deelwoord helemaal achteraan.
- Het PräteritumDe verleden tijd van geschreven Duits, en van de werkwoorden waar niemand een Perfekt van maakt.
- De onregelmatige werkwoordenDe rijtjes van drie: infinitief, Präteritum, deelwoord. Zonder die drie kun je geen verleden tijd maken.
- De Konjunktiv IIWat je zou doen, wat je zou willen, en hoe je beleefd iets vraagt.
- De lijdende vormwerden plus het voltooid deelwoord: wat er gedaan wordt, zonder dat je zegt door wie.
- De woordvolgordeHet werkwoord staat op plek twee. Wat ervoor staat mag je kiezen; wat erna komt heeft een vaste volgorde.
- BijzinnenNa weil, dass, wenn en ob gaat het werkwoord helemaal naar het eind.
- Vragen en ontkennenTwee soorten vragen, en de keuze tussen nicht en kein.
- Voorzetsels en hun naamvalSommige eisen altijd de derde, sommige altijd de vierde, en negen kiezen zelf.
- Betrekkelijke voornaamwoordenDe man die ik zie, het huis waarin wij wonen: der, die en das koppelen twee zinnen aan elkaar.
Lezen over Duits
- Duitse uitspraak: de zeven klanken die het verschil makenNederlands en Duits liggen zo dicht bij elkaar dat je de verschillen niet hoort. Dit zijn de zeven die je bij een mondeling wel aangerekend krijgt.
- Duitse werkwoorden: welke rijtjes je echt moet kennenZestig sterke werkwoorden dekken bijna elke zin. Hoe je die leert in groepjes die op elkaar lijken, en waarom je met de derde kolom moet beginnen.
- Mondeling Duits voorbereiden in vier stappenWaarom een geleerd verhaaltje instort zodra de vraag net anders is, en wat je in de plaats daarvan oefent.
- Der, die of das: de regels die wel kloppenDe uitgangen en betekenisgroepen die het lidwoord verraden, de woorden met twee lidwoorden, en wat je overhoudt om te stampen.
- Duitse woordjes leren en ze donderdag nog kennenWaarom afdekken je voor de gek houdt, en hoe je vijftig woorden in vier avonden van een kwartier wegwerkt.