Lijsten
Mondelingen
Engels leren op Woordvos
De vijfduizend meest gebruikte Engelse woorden staan klaar, op volgorde van hoe vaak je ze tegenkomt en bij de meeste met een voorbeeldzin. Engels heeft geen geslacht bij zelfstandige naamwoorden, dus staat er geen lidwoord bij.
Bij Engels is het probleem meestal niet dat je het niet verstaat, maar dat je het niet kunt opschrijven. Daarom draait het oefenen hier om produceren: je typt het woord zelf, in de richting die op de toets staat.
Engelse grammatica
Van de present simple tot de third conditional. Elk onderdeel begint met de les, daarna vul je de tabel zelf in, en daarna schrijf je de vormen in hele zinnen op.
- Present simple of continuousGebeurt het altijd, of gebeurt het nu? Dat is de hele vraag.
- Past simple of continuousWat er gebeurde tegenover wat er al bezig was toen het gebeurde.
- Present perfect of past simpleTelt het nu nog, of is het klaar en voorbij?
- De past perfectTwee dingen in het verleden, en de past perfect zegt welke het eerst was.
- De toekomst: will of going toWat je nu besluit tegenover wat je allang van plan was.
- Onregelmatige werkwoordenDe rijtjes van drie. Zonder de tweede en de derde kolom kun je geen verleden tijd maken.
- Modals: can, must, shouldZe verbuigen niet, ze krijgen geen to, en ze zeggen hoe zeker of hoe verplicht iets is.
- To do of doingSommige werkwoorden willen -ing erachter, andere willen to, en een paar willen allebei.
- De lijdende vormbe plus het voltooid deelwoord: wat er gedaan wordt, in plaats van wie het doet.
- If-zinnenVier soorten voorwaarde, van "altijd zo" tot "was maar niet gebeurd".
- Reported speechWat iemand zei doorvertellen: elke tijd schuift een stap terug.
- Bijvoeglijk naamwoord of bijwoordgood of well: zegt het iets over een ding, of over hoe iets gebeurt?
- Vergelijken: -er of moreKorte woorden krijgen -er, lange krijgen more. De lengte van het woord beslist.
- A, an of theDe eerste keer a, daarna the, en soms helemaal niets.
- Much, many, some en anyKun je het tellen? Dat bepaalt bijna alles.
- De woordvolgordeOnderwerp, werkwoord, voorwerp, en niets ertussen. En de bijwoorden hebben hun eigen plek.
- Vragen en ontkennenZonder hulpwerkwoord geen Engelse vraag. do, does en did doen het werk.
- Who, which of thatMensen krijgen who, dingen krijgen which, en that mag bij allebei.
- Question tagsHet staartje aan het eind van een zin: isn’t it, don’t you, will you.
Lezen over Engels
- Leesvaardigheid Engels: de tekst hoef je niet te begrijpenJe hoeft de tekst niet te begrijpen, je hoeft de vragen te beantwoorden. Dat is een ander karwei, en het gaat sneller.
- Valse vrienden: Engelse woorden die net iets anders betekenenDe fouten die je maakt bij woorden waarvan je zeker weet dat je ze kent. Veertig valse vrienden op een rij.
- Mondeling Engels: je verstaat alles en dan moet je zelf pratenBij Engels denkt iedereen dat voorbereiden niet nodig is. Precies daarom zakt het gesprek na twee zinnen in.
- Engelse onregelmatige werkwoorden: waarom de derde kolom wegzaktOp alfabet leren werkt niet. In groepjes die op elkaar rijmen leer je vier rijtjes tegelijk, en dan blijft de derde kolom ook staan.
- Engelse woordjes leren terwijl je denkt dat je het al kanJe verstaat alles en je kunt niets opschrijven. Waarom herkennen bij Engels extra bedrieglijk is, en wat je eraan doet.