Duits·Basis
De vier naamvallen
Welke naamval een woord krijgt hangt af van wat het in de zin doet, niet van het woord zelf.
Meteen oefenen
8 zinnen, drie trappen per zin.
Een naamval is geen eigenschap van een woord. der Mann is niet "der"; hij is der zolang hij het onderwerp is, en wordt den Mann zodra er iets met hem gebeurt. De vraag is dus nooit "welk lidwoord hoort bij dit woord", maar: wat doet dit woord in deze zin?
| Naamval | Vraag | Rol in de zin | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| 1. Nominativ | wer of was doet het? | onderwerp | Der Hund schläft. |
| 4. Akkusativ | wen of was? | lijdend voorwerp | Ich sehe den Hund. |
| 3. Dativ | wem? | meewerkend voorwerp | Ich gebe dem Hund Wasser. |
| 2. Genitiv | wessen? | bezit | Das ist das Halsband des Hundes. |
De tabel die je uit je hoofd moet kennen
Er is er maar één, en het loont om hem echt te kennen. Kijk naar de eerste kolom: alleen daar gebeurt er iets bij de vierde naamval. Bij die, das en het meervoud is de vierde naamval gelijk aan de eerste, en dat scheelt de helft van het werk.
| mannelijk | vrouwelijk | onzijdig | meervoud | |
|---|---|---|---|---|
| 1. Nominativ | der | die | das | die |
| 4. Akkusativ | den | die | das | die |
| 3. Dativ | dem | der | dem | den + -n |
| 2. Genitiv | des + -s | der | des + -s | der |
ein, kein en mein doen precies hetzelfde
De uitgangen van ein, kein, mein, dein en sein zijn dezelfde als die van der/die/das, op twee plekken na: in de eerste naamval mannelijk staat er ein (geen "einer") en onzijdig ein (geen "eines"). Al het andere loopt gelijk op: ich sehe einen Mann, ich helfe einem Mann.
Der Mann gibt dem Kind den Ball.
wer? → der Mann (1e, hij doet het)
wem? → dem Kind (3e, hij krijgt het)
was? → den Ball (4e, dat wordt gegeven)
Werkwoorden die altijd de derde naamval vragen
Een klein groepje werkwoorden trekt zich niets aan van de vraag "wen of was" en vraagt altijd de derde naamval. Ze zijn met een handvol te leren en ze komen op elk proefwerk terug: helfen, danken, folgen, gehören, gefallen, passen, antworten, glauben (als het om een persoon gaat).
Wil je het lidwoord van een woord zelf ook onder de knie krijgen, kijk dan bij der, die of das: daar staan de regels waarmee je het geslacht kunt beredeneren.
Veelgestelde vragen
- Hoe weet ik of ik der of den moet gebruiken?
- Stel de vraag "wer of was doet het?" Is het antwoord dat woord, dan is het der. Gebeurt er juist iets mee ("wen of was?"), dan is het den. Alleen bij mannelijke woorden zie je dat verschil; die, das en het meervoud blijven hetzelfde.
- Welke werkwoorden krijgen altijd de derde naamval?
- De belangrijkste zijn helfen, danken, folgen, gehören, gefallen, passen en antworten. Bij die werkwoorden staat het woord erna in de derde naamval, ook al voelt het als een lijdend voorwerp: ich helfe dem Lehrer, niet den Lehrer.
- Wordt de genitief nog gebruikt?
- In geschreven Duits wel, en op een proefwerk zeker. In spreektaal vervangen Duitsers hem vaak door "von + derde naamval": das Auto von meinem Vater in plaats van das Auto meines Vaters.