Duits·Basis
De vier naamvallen
Welke naamval een woord krijgt hangt af van wat het in de zin doet, niet van het woord zelf.
6 stappen, 17 oefenzinnen
OefenenZo loopt dit onderwerp
- 1Wat een naamval eigenlijk isLezen
- 2der, die, das in vier naamvallenTabel invullen
- 3ein, eine, ein en keineTabel invullen
- 4Wie doet het, en met wie gebeurt het?7 zinnen
- 5ein, kein en mein6 zinnen
- 6Zelf een zin schrijven4 zinnen
Een naamval hoort niet bij een woord. der Mann is niet "der"; hij is der zolang hij het onderwerp is, en wordt den Mann zodra er iets met hem gebeurt. De vraag is dus nooit "welk lidwoord hoort bij dit woord", maar altijd: wat doet dit woord in deze zin?
Er zijn vier rollen, en bij elke rol hoort één vraag. Stel die vraag hardop en je hebt je antwoord voordat je aan de tabel toe bent.
| Naamval | Vraag | Rol in de zin | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| 1. Nominativ | wer of was doet het? | onderwerp | Der Hund schläft. |
| 4. Akkusativ | wen of was? | lijdend voorwerp | Ich sehe den Hund. |
| 3. Dativ | wem? | meewerkend voorwerp | Ich gebe dem Hund Wasser. |
| 2. Genitiv | wessen? | bezit | Das ist das Halsband des Hundes. |
Der Mann gibt dem Kind den Ball.
wer? -> der Mann (1e, hij doet het)
wem? -> dem Kind (3e, hij krijgt het)
was? -> den Ball (4e, dat wordt gegeven)
De tabel die je uit je hoofd moet kennen
Er is er maar één, en het loont om hem echt te kennen. Kijk daarbij vooral naar de eerste kolom: alleen bij mannelijke woorden gebeurt er iets in de vierde naamval.
| mannelijk | vrouwelijk | onzijdig | meervoud | |
|---|---|---|---|---|
| 1. Nominativ | der | die | das | die |
| 4. Akkusativ | den | die | das | die |
| 3. Dativ | dem | der | dem | den |
| 2. Genitiv | des | der | des | der |
ein, kein en mein doen precies hetzelfde
De uitgangen van ein, kein, mein, dein en sein zijn dezelfde als die van der/die/das, op twee plekken na: in de eerste naamval mannelijk staat er kaal ein (geen "einer") en onzijdig ook kaal ein (geen "eines"). Alles daarbuiten loopt gelijk op: ich sehe einen Mann, ich helfe einem Mann.
| mannelijk | vrouwelijk | onzijdig | meervoud | |
|---|---|---|---|---|
| 1. Nominativ | ein | eine | ein | keine |
| 4. Akkusativ | einen | eine | ein | keine |
| 3. Dativ | einem | einer | einem | keinen |
| 2. Genitiv | eines | einer | eines | keiner |
Werkwoorden die altijd de derde naamval vragen
Een klein groepje werkwoorden trekt zich niets aan van de vraag "wen of was" en vraagt altijd de derde naamval. Het zijn er niet veel en ze komen op elk proefwerk terug: helfen, danken, folgen, gehören, gefallen, passen, antworten, glauben (als het om een persoon gaat).
In het Nederlands voelt dat gek, want "ik help de leraar" heeft daar gewoon een lijdend voorwerp. In het Duits is het ich helfe dem Lehrer, en er valt niets aan te beredeneren: die acht leer je uit je hoofd en daarna heb je er nooit meer last van.
Wil je het geslacht van een woord zelf ook kunnen beredeneren, kijk dan bij der, die of das: daar staan de uitgangen waaraan je het meestal ziet.
Veelgestelde vragen
Hoe weet ik of ik der of den moet gebruiken?
Stel de vraag "wer of was doet het?" Is het antwoord dat woord, dan is het der. Gebeurt er juist iets mee ("wen of was?"), dan is het den. Alleen bij mannelijke woorden zie je dat verschil; die, das en het meervoud blijven hetzelfde.
Welke werkwoorden krijgen altijd de derde naamval?
De belangrijkste zijn helfen, danken, folgen, gehören, gefallen, passen en antworten. Bij die werkwoorden staat het woord erna in de derde naamval, ook al voelt het als een lijdend voorwerp: ich helfe dem Lehrer, niet den Lehrer.
Wordt de genitief nog gebruikt?
In geschreven Duits wel, en op een proefwerk zeker. In spreektaal vervangen Duitsers hem vaak door "von + derde naamval": das Auto von meinem Vater in plaats van das Auto meines Vaters.