Duits
Duitse grammatica
Naamvallen, werkwoorden en de volgorde van een Duitse zin. Bij elk onderwerp staat eerst de regel en daarna de oefening, waarin je de vorm zelf moet opschrijven.
De vier naamvallen
BasisWelke naamval een woord krijgt hangt af van wat het in de zin doet, niet van het woord zelf.
8 zinnen om te oefenen
De tegenwoordige tijd
BasisDe uitgangen zijn zo geleerd; het venijn zit in de klinker die bij du en er verspringt.
8 zinnen om te oefenen
De verleden tijd: het Perfekt
Bovenbouwhaben of sein, plus een voltooid deelwoord dat helemaal achteraan de zin komt.
8 zinnen om te oefenen
De volgorde van de zin
BovenbouwDe persoonsvorm staat op plek twee, behalve in een bijzin: daar staat hij helemaal achteraan.
8 zinnen om te oefenen
Voorzetsels en hun naamval
BovenbouwSommige voorzetsels kiezen altijd dezelfde naamval; negen laten de betekenis kiezen.
8 zinnen om te oefenen
Grammatica en woordjes horen bij elkaar
Een regel zonder woorden om hem op toe te passen blijft een rijtje, en woorden zonder regel blijven losse briefjes. Wissel het daarom af: een kwartier woorden leren en dan een regel hier, of andersom. In een mondeling komen ze vanzelf samen.