Franse grammatica

Frans·Bovenbouw

De passé composé

Hulpwerkwoord plus deelwoord, en de vraag is welk hulpwerkwoord.

6 stappen, 17 oefenzinnen

Oefenen

Zo loopt dit onderwerp

  1. 1Twee stukken: hulpwerkwoord en deelwoord
  2. 2De deelwoorden
  3. 3aller met être
  4. 4Het deelwoord
  5. 5avoir of être
  6. 6De hele vorm

De passé composé is wat je zegt als je vertelt wat er gebeurd is. Hij bestaat uit twee delen: een vervoegde vorm van avoir of être, en daarachter het deelwoord.

J’ai mangé une pizza. (avoir + deelwoord)

Je suis allé au cinéma. (être + deelwoord)

Het deelwoord maken

infinitiefdeelwoord
parler (-er)parlé
finir (-ir)fini
vendre (-re)vendu
avoireu
êtreété
fairefait
prendrepris
voirvu
mettremis
venirvenu
écrireécrit
boirebu

avoir of être?

Verreweg de meeste werkwoorden nemen avoir. Alleen een klein groepje neemt être, en dat groepje moet je kennen: het zijn werkwoorden van beweging en verandering, plus alle wederkerende werkwoorden.

  • aller / venir (gaan / komen), en de familie van venir: revenir, devenir.
  • arriver / partir (aankomen / vertrekken).
  • entrer / sortir (binnengaan / naar buiten gaan), plus rentrer.
  • monter / descendre (omhoog / omlaag), tomber (vallen), rester (blijven), passer (langsgaan).
  • naître / mourir (geboren worden / sterven).
  • Alle wederkerende werkwoorden: je me suis levé, elle s’est lavée.
mannelijkvrouwelijk
jesuis allésuis allée
tues allées allée
il / elleest alléest allée
noussommes alléssommes allées
vousêtes allésêtes allées
ils / ellessont alléssont allées

Een handvol werkwoorden kan allebei: monter, descendre, sortir, passer en rentrer nemen être als er geen lijdend voorwerp achter staat, en avoir als dat er wel staat. *Je suis sorti* (ik ben uitgegaan), maar *j’ai sorti la poubelle* (ik heb de vuilnisbak buitengezet).

Veelgestelde vragen

Welke werkwoorden krijgen être in de passé composé?

De werkwoorden van beweging en verandering (aller, venir, arriver, partir, entrer, sortir, monter, descendre, rester, tomber, naître, mourir en hun familie), plus alle wederkerende werkwoorden. Alle andere nemen avoir.

Waarom is het elle est allée met twee e’s?

Omdat het deelwoord na être meebuigt met het onderwerp, net als een bijvoeglijk naamwoord. Elle is vrouwelijk enkelvoud, dus komt er een -e bij; bij elles worden het -es.

Hoe weet ik of ik -é of -er moet schrijven?

Vervang het werkwoord door vendre. Past "vendu", dan is het een deelwoord en schrijf je -é; past "vendre", dan is het een infinitief en schrijf je -er.

Nu zelf invullen

17 zinnen om zelf te maken. Bij elk antwoord staat in één zin waarom het zo is.

Beginnen met oefenen

Geschreven door

Daniël van Egdom

Ik ben scholier en gebruikte zelf van alles om woordjes mee te leren. Voor een mondeling was er niets dat verder kwam dan een lijst overhoren, dus ben ik Woordvos gaan bouwen.

Meer frans grammatica

Verder lezen