Franse grammatica

Frans·Examen

De passé simple

De verleden tijd uit boeken: je hoeft hem niet te schrijven, wel te herkennen.

2 stappen, 5 oefenzinnen

Oefenen

Zo loopt dit onderwerp

  1. 1De tijd van het boek
  2. 2Welk werkwoord staat er?

De passé simple is de verleden tijd van romans, sprookjes en geschiedenisboeken. In een gesprek gebruikt niemand hem; daar staat de passé composé. Je hoeft hem dus niet te kunnen maken, maar wel te herkennen. Anders staat er in je examentekst een woord dat je nergens kunt opzoeken.

groepil / elleils / ellesinfinitief
-erparlaparlèrentparler
-ir / -refinit / venditfinirent / vendirentfinir / vendre
op -usput, voulut, sutpurent, voulurent, surentpouvoir, vouloir, savoir

De vier die je het vaakst tegenkomt

il fut → être (hij was)

il eut → avoir (hij had)

il fit → faire (hij deed)

il vint → venir (hij kwam)

ils furent, ils eurent, ils firent, ils vinrent

Veelgestelde vragen

Moet ik de passé simple kunnen schrijven?

Nee. Op school wordt hij bijna altijd alleen passief getoetst: je moet hem in een tekst herkennen en weten van welk werkwoord hij komt. Schrijven doe je in de passé composé.

Hoe herken ik de passé simple?

Aan de uitgangen -a, -èrent (bij -er werkwoorden), -it, -irent (bij -ir en -re) en -ut, -urent (bij een groep onregelmatige). De vier die je het vaakst ziet zijn il fut, il eut, il fit en il vint.

Nu zelf invullen

5 zinnen om zelf te maken. Bij elk antwoord staat in één zin waarom het zo is.

Beginnen met oefenen

Geschreven door

Daniël van Egdom

Ik ben scholier en gebruikte zelf van alles om woordjes mee te leren. Voor een mondeling was er niets dat verder kwam dan een lijst overhoren, dus ben ik Woordvos gaan bouwen.

Meer frans grammatica