Frans·Examen
De passé simple
De verleden tijd uit boeken: je hoeft hem niet te schrijven, wel te herkennen.
Meteen oefenen
2 stappen, 5 oefenzinnen.
Zo loopt dit onderdeel
- 1De tijd van het boekLezen: de regel met de voorbeelden erbij.
- 2Welk werkwoord staat er?5 zinnen om zelf te maken.
De passé simple is de verleden tijd van romans, sprookjes en geschiedenisboeken. In een gesprek gebruikt niemand hem; daar staat de passé composé. Je hoeft hem dus niet te kunnen maken, maar wel te herkennen. Anders staat er in je examentekst een woord dat je nergens kunt opzoeken.
| groep | il / elle | ils / elles | infinitief |
|---|---|---|---|
| -er | parla | parlèrent | parler |
| -ir / -re | finit / vendit | finirent / vendirent | finir / vendre |
| op -us | put, voulut, sut | purent, voulurent, surent | pouvoir, vouloir, savoir |
De vier die je het vaakst tegenkomt
il fut → être (hij was)
il eut → avoir (hij had)
il fit → faire (hij deed)
il vint → venir (hij kwam)
ils furent, ils eurent, ils firent, ils vinrent
Veelgestelde vragen
- Moet ik de passé simple kunnen schrijven?
- Nee. Op school wordt hij bijna altijd alleen passief getoetst: je moet hem in een tekst herkennen en weten van welk werkwoord hij komt. Schrijven doe je in de passé composé.
- Hoe herken ik de passé simple?
- Aan de uitgangen -a, -èrent (bij -er werkwoorden), -it, -irent (bij -ir en -re) en -ut, -urent (bij een groep onregelmatige). De vier die je het vaakst ziet zijn il fut, il eut, il fit en il vint.