Franse grammatica

Frans·Basis

De onregelmatige werkwoorden

Twintig werkwoorden die zich nergens iets van aantrekken, en die je in elke zin nodig hebt.

6 stappen, 18 oefenzinnen

Oefenen

Zo loopt dit onderwerp

  1. 1De werkwoorden die je niet kunt afleiden
  2. 2aller, faire, pouvoir, vouloir
  3. 3venir, prendre, devoir, boire
  4. 4De vormen
  5. 5Met een infinitief erachter
  6. 6Zelf een zin schrijven

Hoe vaker een werkwoord gebruikt wordt, hoe onregelmatiger het is. Dat is geen toeval: alleen woorden die je elke dag hoort, houden hun rare vormen eeuwenlang vol. Het goede nieuws is dat het er niet veel zijn en dat je ze door het gebruik vanzelf tegenkomt.

Twee patronen helpen. Ten eerste eindigt bijna elk enkelvoud op -s, -s, -t (je peux, tu peux, il peut) of op -x, -x, -t. Ten tweede eindigt bijna elk meervoud op -ons, -ez, -ent; alleen être, faire, dire en aller doen daar iets eigenzinnigs.

allerfairepouvoirvouloir
jevaisfaispeuxveux
tuvasfaispeuxveux
il / ellevafaitpeutveut
nousallonsfaisonspouvonsvoulons
vousallezfaitespouvezvoulez
ils / ellesvontfontpeuventveulent

Een korte en een lange stam

Een grote groep werkwoorden heeft twee stammen: een korte bij nous en vous, en een langere bij de rest. Zie je dat patroon, dan hoef je maar twee vormen te onthouden in plaats van zes.

venirprendredevoirboire
jeviensprendsdoisbois
il / ellevientprenddoitboit
nousvenonsprenonsdevonsbuvons
ils / ellesviennentprennentdoiventboivent

De rest van de lijst

infinitiefjeilnousils
savoir (weten)saissaitsavonssavent
dire (zeggen)disditdisonsdisent
voir (zien)voisvoitvoyonsvoient
lire (lezen)lislitlisonslisent
écrire (schrijven)écrisécritécrivonsécrivent
mettre (zetten)metsmetmettonsmettent
partir (vertrekken)parspartpartonspartent
dormir (slapen)dorsdortdormonsdorment
sortir (uitgaan)sorssortsortonssortent
connaître (kennen)connaisconnaîtconnaissonsconnaissent

je peux = ik kan (mag)

je sais = ik kan (heb geleerd): je sais nager

je dois = ik moet

je veux = ik wil

Na al deze vier volgt een infinitief: je dois partir.

Veelgestelde vragen

Welke Franse werkwoorden moet ik echt uit mijn hoofd kennen?

être, avoir, aller, faire, pouvoir, vouloir, devoir, savoir, venir, prendre, dire, voir, mettre en partir. Met die veertien kom je door verreweg de meeste zinnen heen, en ze duiken straks weer op in de passé composé en de futur.

Wat is het verschil tussen savoir en connaître?

savoir gebruik je voor een feit of een vaardigheid (je sais nager, je sais qu’il vient), connaître voor iets of iemand die je kent (je connais ce film, je connais Marie). Na connaître staat nooit een bijzin.

Waarom is het vous faites en niet vous faisez?

Faire hoort bij de drie werkwoorden met een vous-vorm op -tes: vous êtes, vous faites, vous dites. Alle andere werkwoorden hebben -ez.

Nu zelf invullen

18 zinnen om zelf te maken. Bij elk antwoord staat in één zin waarom het zo is.

Beginnen met oefenen

Geschreven door

Daniël van Egdom

Ik ben scholier en gebruikte zelf van alles om woordjes mee te leren. Voor een mondeling was er niets dat verder kwam dan een lijst overhoren, dus ben ik Woordvos gaan bouwen.

Meer frans grammatica

Verder lezen