Frans·Examen
De plus-que-parfait
Wat er nog vóór het verleden gebeurde: hij was al vertrokken toen ik aankwam.
Meteen oefenen
3 stappen, 5 oefenzinnen.
Zo loopt dit onderdeel
- 1Een stap verder terugLezen: de regel met de voorbeelden erbij.
- 2De plus-que-parfait opbouwenDe tabel zelf invullen, tot hij helemaal klopt.
- 3De vorm5 zinnen om zelf te maken.
Vertel je over het verleden en wil je zeggen dat iets daarvóór al gebeurd was, dan gebruik je de plus-que-parfait. Hij werkt precies als het Nederlandse "had gedaan" en "was gegaan".
Quand je suis arrivé, il était déjà parti.
(ik kwam aan) (hij was er al eerder vandoor)
J’avais oublié mes clés, donc je suis rentré.
| manger (avoir) | partir (être) | |
|---|---|---|
| je / j’ | avais mangé | étais parti |
| tu | avais mangé | étais parti |
| il | avait mangé | était parti |
| nous | avions mangé | étions partis |
| vous | aviez mangé | étiez partis |
| ils | avaient mangé | étaient partis |
De regels van de passé composé gelden onveranderd: dezelfde werkwoorden nemen être, het deelwoord past zich dan aan het onderwerp aan, en bij avoir gebeurt dat niet.
Veelgestelde vragen
- Hoe maak je de plus-que-parfait?
- Zet avoir of être in de imparfait en plak het deelwoord erachter: j’avais mangé, il était parti. Welk hulpwerkwoord je nodig hebt, is precies hetzelfde als bij de passé composé.
- Wanneer gebruik je de plus-que-parfait?
- Als je vertelt over het verleden en aangeeft dat iets dáárvoor al gebeurd was: quand je suis arrivé, il était déjà parti. Ook na si in een wens en in de indirecte rede.