Frans·Bovenbouw
De toekomende tijd
Twee manieren: je vais partir voor straks, je partirai voor later.
6 stappen, 13 oefenzinnen
OefenenZo loopt dit onderwerp
- 1Straks en laterLezen
- 2De futur simpleTabel invullen
- 3De tien eigen stammenTabel invullen
- 4Futur proche3 zinnen
- 5Futur simple7 zinnen
- 6Zelf een zin schrijven3 zinnen
De futur proche is de makkelijkste toekomst van het Frans: vervoeg aller en zet de infinitief erachter. Je gebruikt hem voor wat zo meteen gebeurt of wat al vaststaat, precies zoals wij "ik ga bellen" zeggen.
Je vais partir. Ik ga zo weg.
Nous allons manger. We gaan eten.
Il va pleuvoir. Het gaat regenen.
De futur simple is de geschreven toekomst en wat verder weg: plannen, voorspellingen, beloften. Je maakt hem uit de hele infinitief plus de uitgangen van avoir.
| parler | finir | vendre (vendr-) | |
|---|---|---|---|
| je | parlerai | finirai | vendrai |
| tu | parleras | finiras | vendras |
| il / elle | parlera | finira | vendra |
| nous | parlerons | finirons | vendrons |
| vous | parlerez | finirez | vendrez |
| ils / elles | parleront | finiront | vendront |
De stammen die anders zijn
Een stuk of tien werkwoorden hebben een eigen stam. De uitgangen blijven daar precies dezelfde, en er zit altijd een r voor.
| infinitief | stam | je-vorm |
|---|---|---|
| être | ser- | serai |
| avoir | aur- | aurai |
| aller | ir- | irai |
| faire | fer- | ferai |
| pouvoir | pourr- | pourrai |
| vouloir | voudr- | voudrai |
| devoir | devr- | devrai |
| savoir | saur- | saurai |
| venir | viendr- | viendrai |
| voir | verr- | verrai |
Veelgestelde vragen
Wanneer gebruik je futur proche en wanneer futur simple?
De futur proche (aller + infinitief) gebruik je voor wat zo meteen gebeurt of al vaststaat, en het is de gewone vorm in gesproken Frans. De futur simple gebruik je voor plannen verder weg, voorspellingen en beloften, en in geschreven taal.
Welke Franse werkwoorden hebben een onregelmatige stam in de futur?
être (ser-), avoir (aur-), aller (ir-), faire (fer-), pouvoir (pourr-), vouloir (voudr-), devoir (devr-), savoir (saur-), venir (viendr-) en voir (verr-). Dezelfde stammen gebruik je in de conditionnel.
Waarom staat er een futur na quand?
Omdat het Frans consequent is: gaat de zin over de toekomst, dan staan allebei de werkwoorden in de toekomst. Quand je serai grand, je serai pilote. Wij zeggen daar "als ik groot ben".