Frans·Bovenbouw
Wederkerende werkwoorden
Je me lève, il se dépêche, en in de verleden tijd altijd être.
Meteen oefenen
4 stappen, 10 oefenzinnen.
Zo loopt dit onderdeel
- 1Een werkwoord met een voornaamwoord eraan vastLezen: de regel met de voorbeelden erbij.
- 2se laver en se leverDe tabel zelf invullen, tot hij helemaal klopt.
- 3De vorm5 zinnen om zelf te maken.
- 4Ontkenning, infinitief en verleden tijd5 zinnen om zelf te maken.
Sommige werkwoorden hebben een voornaamwoord dat naar het onderwerp terugwijst. In het woordenboek staan ze met se ervoor: se laver, se lever, se dépêcher, s’appeler, s’amuser, se souvenir.
| se laver | se lever | |
|---|---|---|
| je | me lave | me lève |
| tu | te laves | te lèves |
| il / elle | se lave | se lève |
| nous | nous lavons | nous levons |
| vous | vous lavez | vous levez |
| ils / elles | se lavent | se lèvent |
Niet elk wederkerend werkwoord is in het Nederlands ook wederkerend. Je me lève is "ik sta op", je m’appelle is "ik heet", elle se dépêche is "zij haast zich". Andersom net zo: "zich herinneren" is se souvenir de, maar "vergeten" is gewoon oublier.
In de verleden tijd: altijd être
Je me suis levé(e) à sept heures.
Elle s’est levée tôt.
Nous nous sommes amusés.
Maar: Elle s’est lavé les mains. ← geen e, want les mains staat erachter
Veelgestelde vragen
- Welk hulpwerkwoord krijgen wederkerende werkwoorden in de passé composé?
- Altijd être: je me suis levé, elle s’est dépêchée, nous nous sommes amusés. Het deelwoord past zich aan het onderwerp aan, behalve als er een lijdend voorwerp achter staat.
- Waar staat me, te of se bij een infinitief?
- Vlak voor die infinitief, en het past zich aan het onderwerp aan: je vais me lever, tu dois te dépêcher, ils veulent se reposer.