Duits·5 min lezen
Duitse woordjes leren en ze donderdag nog kennen
Waarom afdekken je voor de gek houdt, en hoe je vijftig woorden in vier avonden van een kwartier wegwerkt.
Vijftig woorden voor donderdag. Woensdagavond ga je zitten, je dekt de rechterkolom af en na een kwartier gaat het aardig. Donderdagochtend blijkt er een derde weg, en precies de woorden die je gisteren nog vlot had.
Dat is geen kwestie van niet je best doen. Het probleem zit in wat afdekken je laat oefenen. Je ziet der Bahnhof staan, je denkt "station", en je vinkt hem af. Maar bij de toets staat er "station" en moet jij der Bahnhof opschrijven, en dat is een heel andere beweging.
Herkennen is niet kennen
Een woord herkennen kost weinig. Het staat er, je hoeft het alleen thuis te brengen. Een woord produceren is werk: je hersenen moeten het zelf uit de kast halen, zonder dat er iets voorgezegd wordt. Alleen die tweede beweging heb je nodig bij een toets, bij een mondeling en in een gesprek.
Daar komt bij dat je bij het afdekken altijd dezelfde volgorde aanhoudt, namelijk die van je blaadje. Na drie rondjes weet je dat na Ferien altijd Freizeit komt. Voelt goed, betekent niets. Je hebt de rij geleerd en niet de woorden.
Vier keer langs hetzelfde woord
Wat wel werkt is een woord vier keer tegenkomen, elke keer met iets minder hulp. In Woordvos gaat dat vanzelf, maar je kunt het ook met een stapeltje kaartjes doen.
- Zien. Woord en betekenis samen op één kaart. Je hoeft niets te weten. Lees het hardop.
- Herkennen. Kiezen uit vier, met drie afleiders die op elkaar lijken. Hier merk je dat fahren en führen niet hetzelfde zijn.
- Typen met hint. Je schrijft het zelf, maar de eerste letters staan er al. Genoeg duwtje om niet vast te lopen.
- Typen zonder hint. Alleen het Nederlands. Haal je dit, dan zit het erin.
Het lidwoord hoort bij het woord
Leer nooit Bahnhof. Leer der Bahnhof. Wie het woord eerst kaal leert en het lidwoord later erbij zoekt, doet het werk twee keer en onthoudt het half. Het lidwoord is geen extraatje, het hoort bij het woord zoals de laatste lettergreep erbij hoort.
Wat verrassend goed helpt is er een kleur aan hangen, en die kleur dan overal aanhouden. Blauw voor der, roze voor die, grijs voor das. Na twee weken zie je bij die Zeitung het roze eerder dan het woordje. Om die reden schiet de confetti in Woordvos in de kleur van het geslacht: niet als versiering, maar omdat kleur beter blijft plakken dan een lidwoord.
Voor de gevallen waarin je het lidwoord kunt beredeneren in plaats van stampen: die staan in der, die of das.
Vijftig woorden, vier avonden
Terug naar donderdag. Als je vandaag begint, ziet een week er zo uit. Bij elkaar iets meer dan een uur, en dat is minder dan de meeste mensen op één avond kwijt zijn.
| Dag | Wat je doet | Hoe lang |
|---|---|---|
| Vrijdag | Blok 1 en 2 nieuw, alle vier de fases | 25 minuten |
| Zaterdag | Blok 3 nieuw, blok 1 en 2 kort overhoren | 25 minuten |
| Maandag | Het laatste blok, plus alles wat zaterdag misging | 20 minuten |
| Dinsdag | Alle vijftig door elkaar, alleen schrijven | 15 minuten |
| Woensdag | Alleen wat nog rood staat | 10 minuten |
Het gat tussen zaterdag en maandag is geen slordigheid. Juist doordat een woord in de tussentijd begint weg te zakken, is het terughalen ervan op maandag iets waard. Op één avond zakt er niets weg en oefen je dus ook niets.
Wat je met een fout doet
Doorklikken naar het volgende woord is het slechtste wat je kunt doen. Je hebt dan alleen vastgesteld dat je het niet wist. Beter gaat het in drie beurten.
- Schrijf het goede antwoord meteen één keer over. Die beurt telt niet mee; hij is er om je ogen en je vingers de juiste vorm te laten zien.
- Laat het woord een paar plekken verderop terugkomen, als je net iets anders gedaan hebt. Nu telt hij wel.
- Zet aan het eind van de ronde alles wat misging nog één keer op een rij.
Het verschil zit in die tussenruimte. Een woord dat je twee seconden na de fout opnieuw krijgt, heb je goed omdat het antwoord nog op je netvlies staat. Dat leert je niets.
Zeg het hardop
Duits heeft klanken die het Nederlands niet heeft. De ü van fünf, de ch van nicht, de r die achterin zit. Wie een woord alleen leest, leert een stille versie ervan, en die stille versie komt bij een luistertoets niet langs.
Twee seconden per woord is genoeg. Laat het voorlezen, zeg het na, klaar.
Eén zin per woord
Los hangt een woord nergens aan vast. Je weet dat verlassen "verlaten" is, en dan sta je alsnog te twijfelen over wat erachter hoort. Eén zin waarin het woord op zijn natuurlijke plek staat lost dat op.
verlassen = verlaten
Er hat das Haus früh verlassen. / Hij heeft het huis vroeg verlaten.
Die zin hoef je niet uit je hoofd te leren. Je moet hem gezien hebben. De volgende keer dat je verlassen opschrijft hoor je hem er half bij, en dan krijg je de zin eromheen ook goed.
Veelgestelde vragen
- Hoeveel Duitse woordjes kun je op een avond leren?
- Twintig tot dertig nieuwe woorden in een half uur is haalbaar, mits je ze in blokken van twintig doet en elk woord vier fases laat doorlopen. Boven de vijftig nieuwe woorden op één avond blijft er de volgende dag weinig van over.
- Moet je het lidwoord meteen meeleren?
- Ja. Het lidwoord er later bij zoeken is dubbel werk en blijft slecht hangen. Leer der Bahnhof in plaats van Bahnhof, dan hoort het lidwoord bij het woord in plaats van dat het een tweede vraag wordt.
- Kun je beter leren of overhoren?
- Allebei, in die volgorde. Eerst leren met vier fases zodat het woord erin gaat, daarna overhoren om te zien wat er nog staat. Alleen overhoren laat je zien wat je mist zonder je te helpen het te leren.