Duits·Examen
Betrekkelijke voornaamwoorden
De man die ik zie, het huis waarin wij wonen: der, die en das koppelen twee zinnen aan elkaar.
Meteen oefenen
3 stappen, 7 oefenzinnen.
Zo loopt dit onderdeel
- 1Twee dingen bepalen de vorm, en ze komen van verschillende kantenLezen: de regel met de voorbeelden erbij.
- 2Welke vorm?5 zinnen om zelf te maken.
- 3Zelf een zin schrijven2 zinnen om zelf te maken.
Een betrekkelijk voornaamwoord haakt een bijzin vast aan een woord dat er al staat: Der Mann, der dort steht, ist mein Lehrer. Het ziet eruit als een lidwoord, en het verbuigt ook zo.
Der Mann, der dort steht. Mann -> mannelijk; onderwerp -> 1e: der
Der Mann, den ich sehe. Mann -> mannelijk; lijdend vw -> 4e: den
Der Mann, dem ich helfe. Mann -> mannelijk; helfen -> 3e: dem
Die Frau, die ich kenne. Frau -> vrouwelijk; lijdend vw -> 4e: die
De tabel
Hij is bijna gelijk aan die van der/die/das. Alleen de tweede naamval en de derde naamval meervoud zien er anders uit.
| mannelijk | vrouwelijk | onzijdig | meervoud | |
|---|---|---|---|---|
| 1. Nominativ | der | die | das | die |
| 4. Akkusativ | den | die | das | die |
| 3. Dativ | dem | der | dem | denen |
| 2. Genitiv | dessen | deren | dessen | deren |
Waar staat het werkwoord?
Een betrekkelijke bijzin is een bijzin, dus het werkwoord gaat helemaal naar het eind, en er staan komma’s omheen. Ook als de bijzin midden in de hoofdzin zit.
Der Mann, der dort steht, ist mein Lehrer.
Das Buch, das ich gestern gekauft habe, ist super.
Veelgestelde vragen
- Waar haal ik de naamval van een betrekkelijk voornaamwoord vandaan?
- Uit de bijzin. Het geslacht komt van het woord waar de bijzin bij hoort, maar de naamval van wat het voornaamwoord in die bijzin doet: onderwerp, lijdend voorwerp of iets na een voorzetsel.