Duits·Basis
Vragen en ontkennen
Twee soorten vragen, en de keuze tussen nicht en kein.
Meteen oefenen
4 stappen, 12 oefenzinnen.
Zo loopt dit onderdeel
- 1Vragen: het werkwoord schuift naar vorenLezen: de regel met de voorbeelden erbij.
- 2De vraag4 zinnen om zelf te maken.
- 3nicht of kein5 zinnen om zelf te maken.
- 4Zelf een zin schrijven3 zinnen om zelf te maken.
Er zijn twee manieren om iets te vragen. Begin je met een vraagwoord, dan is dat plek één en staat het werkwoord daar netjes achter. Heb je geen vraagwoord, dan begint het werkwoord de zin.
Wann kommst du? -> vraagwoord op 1, werkwoord op 2
Kommst du morgen? -> werkwoord op 1, geen vraagwoord
| Vraagwoord | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| wer | wie | Wer ist das? |
| was | wat | Was machst du? |
| wo | waar | Wo wohnst du? |
| wohin | waarheen | Wohin gehst du? |
| woher | waarvandaan | Woher kommst du? |
| wann | wanneer | Wann kommst du? |
| wie | hoe | Wie geht es dir? |
| warum | waarom | Warum lachst du? |
| welcher | welke | Welches Buch liest du? |
nicht of kein?
Duits heeft twee ontkenningen en de keuze is eenvoudiger dan hij lijkt. kein hoort bij een zelfstandig naamwoord dat een lidwoord ein zou hebben of helemaal geen lidwoord. nicht ontkent al het andere.
| Je ontkent | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| een naamwoord met ein | kein | Ich habe kein Auto. |
| een naamwoord zonder lidwoord | kein | Ich habe keine Zeit. |
| een naamwoord met der/die/das | nicht | Ich kenne das Buch nicht. |
| een werkwoord | nicht | Ich komme nicht. |
| een bijvoeglijk naamwoord | nicht | Das ist nicht gut. |
| een naam of voornaamwoord | nicht | Das ist nicht Peter. |
Waar staat nicht?
Ontken je de hele zin, dan staat nicht zo ver mogelijk naar achteren, maar wel vóór het deel dat aan het werkwoord vastzit: vóór het tweede werkwoord, vóór een bijvoeglijk naamwoord en vóór een plaatsbepaling die bij het werkwoord hoort.
Ich komme heute nicht.
Ich kann heute nicht kommen.
Das Auto ist nicht neu.
Er wohnt nicht in Berlin.
Ontken je maar één woord in de zin, dan staat nicht daar vlak voor: Nicht ich habe das gesagt (niet ik, maar iemand anders).
Veelgestelde vragen
- Wanneer gebruik ik kein en wanneer nicht?
- kein als je een zelfstandig naamwoord ontkent dat ein zou hebben of helemaal geen lidwoord: kein Auto, keine Zeit. nicht in alle andere gevallen: bij der/die/das, bij een werkwoord, bij een bijvoeglijk naamwoord en bij een naam.
- Wat is het verschil tussen wann en wenn?
- wann is het vraagwoord: Wann kommst du? wenn is "als" of "telkens wanneer" en leidt een bijzin in: Wenn du kommst, essen wir.