Duits·Bovenbouw
Het Präteritum
De verleden tijd van geschreven Duits, en van de werkwoorden waar niemand een Perfekt van maakt.
5 stappen, 11 oefenzinnen
OefenenZo loopt dit onderwerp
- 1De verleden tijd die je vooral leestLezen
- 2sein, haben, werden en könnenTabel invullen
- 3De vormen5 zinnen
- 4Präteritum of Perfekt?3 zinnen
- 5Zelf een zin schrijven3 zinnen
Duits heeft twee verleden tijden en gebruikt ze op twee plekken. In een gesprek pak je de Perfekt (ich habe gespielt). In een verhaal, een krant of een verslag staat het Präteritum (ich spielte). Dezelfde gebeurtenis, andere plek.
Zwak: -te ertussen
Neem de stam, plak er -te aan vast en zet daar de gewone uitgang achter. En let op: ich en er zijn in het hele Präteritum gelijk, en allebei zonder uitgang.
| spielen (zwak) | gehen (sterk) | |
|---|---|---|
| ich | spielte | ging |
| du | spieltest | gingst |
| er / sie / es | spielte | ging |
| wir | spielten | gingen |
| ihr | spieltet | gingt |
| sie / Sie | spielten | gingen |
Sterk: andere klinker, geen -te
Een sterk werkwoord verandert zijn klinker en krijgt géén -te. De ich-vorm is dan de kale nieuwe stam: gehen wordt ging, sehen wordt sah, kommen wordt kam, trinken wordt trank. Die vormen leer je uit je hoofd, en ze staan bij de onregelmatige werkwoorden.
| sein | haben | werden | können | |
|---|---|---|---|---|
| ich | war | hatte | wurde | konnte |
| du | warst | hattest | wurdest | konntest |
| er / sie / es | war | hatte | wurde | konnte |
| wir | waren | hatten | wurden | konnten |
| ihr | wart | hattet | wurdet | konntet |
Veelgestelde vragen
Wanneer gebruik ik Präteritum en wanneer Perfekt?
Praat je, dan Perfekt. Schrijf je een verhaal of een verslag, dan Präteritum. Uitzondering zijn sein, haben, werden en de modale werkwoorden: die staan altijd in het Präteritum, ook als je praat.
Wat is het verschil tussen konnte en könnte?
konnte is de verleden tijd: hij kon het niet. könnte is de Konjunktiv: hij zou het kunnen. Eén umlaut verschil, en een heel andere betekenis.