Duits·Basis
De Perfekt
Zo praat een Duitser over gisteren: haben of sein op plek twee, het deelwoord helemaal achteraan.
5 stappen, 14 oefenzinnen
OefenenZo loopt dit onderwerp
- 1De tijd waarin je over gisteren praatLezen
- 2haben en sein in de PerfektTabel invullen
- 3haben of sein5 zinnen
- 4Het deelwoord5 zinnen
- 5Zelf een zin schrijven4 zinnen
In gesproken Duits gaat bijna alles wat voorbij is in de Perfekt, ook als het Nederlands een gewone verleden tijd zou gebruiken. "Ik speelde gisteren voetbal" wordt Ich habe gestern Fußball gespielt.
Ich habe gestern Fußball gespielt.
Wir sind nach Berlin gefahren.
hulp de rest deelwoord
Het deelwoord maken
Er zijn twee soorten. Zwakke werkwoorden zijn braaf: ge- ervoor, -t erachter, stam ertussen. Sterke werkwoorden veranderen hun klinker en eindigen op -en; die moet je uit je hoofd leren, precies zoals in het Nederlands.
| Soort | Recept | Voorbeeld |
|---|---|---|
| zwak | ge + stam + t | spielen → gespielt, machen → gemacht |
| sterk | ge + andere klinker + en | fahren → gefahren, sprechen → gesprochen |
| op -ieren | geen ge- | studieren → studiert, telefonieren → telefoniert |
| vast voorvoegsel | geen ge- | besuchen → besucht, verstehen → verstanden |
| scheidbaar | ge- schuift ertussen | aufstehen → aufgestanden, einkaufen → eingekauft |
haben of sein?
De meeste werkwoorden nemen haben. sein is voor een korte, herkenbare groep, en die groep is bijna precies dezelfde als in het Nederlands (waar je "ben" zegt in plaats van "heb").
- Werkwoorden van beweging van A naar B: gehen, fahren, kommen, fliegen, laufen, reisen. Ich bin nach Hause gegangen.
- Werkwoorden van verandering van toestand: aufstehen, einschlafen, sterben, wachsen, werden. Er ist eingeschlafen.
- En drie losse: sein, bleiben en werden. Ich bin in Berlin gewesen.
| haben (spelen) | sein (rijden) | |
|---|---|---|
| ich | habe gespielt | bin gefahren |
| du | hast gespielt | bist gefahren |
| er / sie / es | hat gespielt | ist gefahren |
| wir | haben gespielt | sind gefahren |
| ihr | habt gespielt | seid gefahren |
| sie / Sie | haben gespielt | sind gefahren |
Veelgestelde vragen
Hoe weet ik of het haben of sein is?
Zeg de zin in het Nederlands. Zeg je daar "ik ben gegaan", dan is het in het Duits ook sein. Het gaat om beweging van A naar B, verandering van toestand, en de drie losse gevallen sein, bleiben en werden.
Waarom krijgt besucht geen ge-?
Omdat be- een vast voorvoegsel is en de klemtoon niet vooraan ligt. Datzelfde geldt voor ver-, er-, ent-, zer- en voor alle werkwoorden op -ieren.