Duits·Bovenbouw
Voorzetsels en hun naamval
Sommige voorzetsels kiezen altijd dezelfde naamval; negen laten de betekenis kiezen.
Meteen oefenen
8 zinnen, drie trappen per zin.
Een voorzetsel bepaalt in het Duits welke naamval het woord erachter krijgt. Er zijn drie groepen, en alleen de derde vraagt om nadenken.
Altijd de derde naamval
aus, bei, mit, nach, seit, von, zu en gegenüber. Deze acht leer je als rijtje op; ze twijfelen nooit. *Ich fahre mit dem Bus. Nach der Schule gehe ich nach Hause.*
Altijd de vierde naamval
durch, für, gegen, ohne, um en bis. Ook deze zes staan vast. *Das Geschenk ist für die Lehrerin. Er läuft durch den Park.*
De negen die het ervan laten afhangen
an, auf, hinter, in, neben, über, unter, vor en zwischen kunnen allebei. De vraag is: gaat het over waar iets is, of over waarheen iets gaat?
| Vraag | Naamval | Voorbeeld |
|---|---|---|
| wo? (waar is het) | 3. Dativ | Das Buch liegt auf dem Tisch. |
| wohin? (waar gaat het heen) | 4. Akkusativ | Ich lege das Buch auf den Tisch. |
Vaste combinaties met een werkwoord
Sommige werkwoorden hebben een voorzetsel dat er altijd bij hoort, en dan geldt de "waar of waarheen"-regel niet meer: de combinatie heeft gewoon zijn eigen naamval. Die leer je als geheel, samen met het werkwoord.
warten auf + 4 — Ich warte auf den Bus.
denken an + 4 — Ich denke an dich.
sich freuen auf + 4 — Ich freue mich auf die Ferien.
helfen bei + 3 — Er hilft mir bei den Hausaufgaben.
Angst haben vor + 3 — Ich habe Angst vor der Prüfung.
Veelgestelde vragen
- Wanneer krijgt in de derde en wanneer de vierde naamval?
- Vraag je "waar?", dan is het de derde: ich bin in der Schule. Vraag je "waarheen?", dan is het de vierde: ich gehe in die Schule. Het werkwoord verraadt meestal welke van de twee het is.
- Welke voorzetsels krijgen altijd de derde naamval?
- aus, bei, mit, nach, seit, von, zu en gegenüber. Die twijfelen nooit, wat er ook achter komt.