Duits·Bovenbouw
Voorzetsels en hun naamval
Sommige eisen altijd de derde, sommige altijd de vierde, en negen kiezen zelf.
4 stappen, 12 oefenzinnen
OefenenZo loopt dit onderwerp
- 1Elk voorzetsel legt een naamval opLezen
- 2De vaste naamvallen4 zinnen
- 3wo of wohin5 zinnen
- 4Zelf een zin schrijven3 zinnen
Een Duits voorzetsel bepaalt de naamval van wat erachter komt. Bij de meeste is dat een vast gegeven dat je uit je hoofd leert, en het zijn er niet zoveel.
| Naamval | Voorzetsels | Ezelsbruggetje |
|---|---|---|
| altijd 3e | aus, bei, mit, nach, seit, von, zu, gegenüber | aus-bei-mit-nach-seit-von-zu, als rijtje opzeggen |
| altijd 4e | durch, für, gegen, ohne, um, bis, entlang | durch-für-gegen-ohne-um |
| altijd 2e | wegen, während, trotz, statt | de vier van het formele Duits |
Ich fahre mit dem Bus. (3e: dem)
Ich gehe ohne meinen Bruder. (4e: meinen)
Wegen des Wetters bleibe ich zu Hause. (2e: des)
De negen die zelf kiezen
Negen voorzetsels van plaats kunnen allebei. De vraag die beslist is simpel: wohin (waar naartoe) geeft de vierde naamval, wo (waar) geeft de derde. Beweging naar een nieuwe plek tegenover blijven waar je bent.
De negen zijn: an, auf, hinter, in, neben, über, unter, vor, zwischen.
Ich gehe in die Schule. wohin? -> 4e (die)
Ich bin in der Schule. wo? -> 3e (der)
Ich hänge das Bild an die Wand. wohin? -> 4e
Das Bild hängt an der Wand. wo? -> 3e
Samentrekkingen
In de praktijk plakken voorzetsel en lidwoord aan elkaar. Dat is geen slordigheid maar de gewone vorm, en je moet ze kunnen lezen.
| Volledig | Samengetrokken | Naamval |
|---|---|---|
| in dem | im | 3e |
| in das | ins | 4e |
| an dem | am | 3e |
| an das | ans | 4e |
| zu dem | zum | 3e |
| zu der | zur | 3e |
| bei dem | beim | 3e |
| von dem | vom | 3e |
Veelgestelde vragen
Welke voorzetsels krijgen altijd de derde naamval?
aus, bei, mit, nach, seit, von, zu en gegenüber. Zeg ze als rijtje op: aus-bei-mit-nach-seit-von-zu. Daarna hoef je alleen nog de vierde-naamvalsgroep te kennen: durch, für, gegen, ohne, um.
Hoe kies ik bij in, auf en an tussen de derde en de vierde?
Stel de vraag wohin of wo. Gaat er iets naar een nieuwe plek, dan de vierde: ich gehe in die Schule. Blijft alles waar het is, dan de derde: ich bin in der Schule.