Duits·Bovenbouw
Werkwoorden met sich
Zich wassen, zich vergissen, zich verheugen: het voornaamwoord verandert mee met de persoon.
Meteen oefenen
3 stappen, 8 oefenzinnen.
Zo loopt dit onderdeel
- 1Het voornaamwoord dat naar het onderwerp terugwijstLezen: de regel met de voorbeelden erbij.
- 2De goede vorm5 zinnen om zelf te maken.
- 3Zelf een zin schrijven3 zinnen om zelf te maken.
Bij een wederkerend werkwoord zijn de dader en het lijdend voorwerp dezelfde persoon. In het Nederlands staat er dan "me", "je" of "zich"; in het Duits verandert dat woordje netjes mee met het onderwerp.
| Persoon | 4e naamval | 3e naamval |
|---|---|---|
| ich | mich | mir |
| du | dich | dir |
| er / sie / es | sich | sich |
| wir | uns | uns |
| ihr | euch | euch |
| sie / Sie | sich | sich |
Alleen bij ich en du zie je verschil tussen de vierde en de derde naamval. Alle andere personen hebben één vorm, en die is meteen goed.
Wanneer de derde naamval?
Als er ná het wederkerend voornaamwoord nóg een lijdend voorwerp staat. Vergelijk: ich wasche mich (ik was mijzelf, mich is het lijdend voorwerp) en ich wasche mir die Hände (de handen zijn het lijdend voorwerp, dus mir schuift een naamval op).
Ich wasche mich. -> alleen ik, dus 4e: mich
Ich wasche mir die Hände. -> de handen erbij, dus 3e: mir
Ich putze mir die Zähne. -> zelfde patroon
Werkwoorden die in het Duits een sich hebben en in het Nederlands niet
Dit is het lastigste deel, want je kunt het niet uit het Nederlands afleiden. Deze moet je gewoon mét hun sich uit je hoofd leren.
- sich freuen auf = zich verheugen op. Ich freue mich auf die Ferien.
- sich interessieren für = geïnteresseerd zijn in. Er interessiert sich für Musik.
- sich erinnern an = zich herinneren. Erinnerst du dich an ihn?
- sich beeilen = opschieten. Beeil dich!
- sich befinden = zich bevinden. Das Museum befindet sich im Zentrum.
- sich vorstellen = zich voorstellen. Met de derde naamval betekent het "zich iets inbeelden": Stell dir das mal vor!
Veelgestelde vragen
- Wanneer gebruik ik mir en wanneer mich?
- mich als er verder geen lijdend voorwerp staat (ich wasche mich), mir als dat er wél is (ich wasche mir die Hände). Bij alle personen behalve ich en du zie je dat verschil niet, want die hebben één vorm.