Frans·Bovenbouw
De persoonlijke voornaamwoorden
Je le vois, je lui parle: het staat vóór het werkwoord, en le is niet lui.
5 stappen, 11 oefenzinnen
OefenenZo loopt dit onderwerp
- 1Vier rijtjes, en waar ze staanLezen
- 2De vier rijtjesTabel invullen
- 3De volgordeTabel invullen
- 4Lijdend of meewerkend6 zinnen
- 5De plaats in de zin5 zinnen
Nederlands zegt "ik zie hem", met het voornaamwoord achter het werkwoord. Frans zegt je le vois: ervoor. Dat is de gewoonte die je moet omdraaien, en het lukt pas als je hele zinnetjes zo oefent.
| persoon | onderwerp | lijdend voorwerp | meewerkend voorwerp | beklemtoond |
|---|---|---|---|---|
| ik | je | me | me | moi |
| jij | tu | te | te | toi |
| hij | il | le | lui | lui |
| zij (ev.) | elle | la | lui | elle |
| wij | nous | nous | nous | nous |
| jullie / u | vous | vous | vous | vous |
| zij (mv. m.) | ils | les | leur | eux |
le of lui?
Het hangt af van het werkwoord. Staat er in het Frans à achter (parler à, téléphoner à, dire à, donner à, demander à, répondre à), dan is het een meewerkend voorwerp en gebruik je lui of leur. Staat er niets tussen (voir, aimer, connaître, prendre, regarder), dan is het een lijdend voorwerp en gebruik je le, la, les.
Je vois Marie. → Je la vois.
Je parle à Marie. → Je lui parle.
J’aime ces films. → Je les aime.
Je téléphone à mes parents. → Je leur téléphone.
De beklemtoonde vormen
moi, toi, lui, elle, nous, vous, eux, elles gebruik je als het woord alleen staat (*Qui est là ? — Moi.*), na een voorzetsel (*avec moi*, *chez eux*), na que in een vergelijking (*plus grand que moi*) en om nadruk te leggen (*Moi, je pense que…*).
Twee voornaamwoorden tegelijk
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | |
|---|---|---|---|---|---|
| vóór het werkwoord | me | le | lui | y | en |
Veelgestelde vragen
Wanneer gebruik je le en wanneer lui?
Kijk of er in het Frans à achter het werkwoord staat. Parler à, téléphoner à, dire à en donner à krijgen lui of leur; voir, aimer en connaître krijgen le, la of les.
Waar staat het voornaamwoord in een Franse zin?
Vóór het werkwoord waar het bij hoort: je le vois, je vais le faire, je l’ai vu. Alleen in een bevel komt het erachter: regarde-le.
Wat is de volgorde als er twee voornaamwoorden staan?
De volgorde is me/te/se/nous/vous, dan le/la/les, dan lui/leur, dan y, dan en. Dus il me le donne, je le lui ai dit, il y en a trois.