Frans·Examen
De voornaamwoorden voor het werkwoord
le, la, lui, y en en springen vóór het werkwoord, en ze hebben een vaste volgorde.
Meteen oefenen
8 zinnen, drie trappen per zin.
Waar het Nederlands "ik zie hem" zegt, zegt het Frans "je le vois": het voornaamwoord springt vóór het werkwoord. Dat voelt raar tot je weet welk woord je waar neerzet.
| Vervangt | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| lijdend voorwerp | le, la, les | Je vois le film → Je le vois. |
| meewerkend voorwerp (à + persoon) | lui, leur | Je parle à Marie → Je lui parle. |
| à + ding of plaats | y | Je vais à Paris → J’y vais. |
| de + ding, of een hoeveelheid | en | Je mange du pain → J’en mange. |
De volgorde als er twee staan
me / te / se / nous / vous
le / la / les
lui / leur
y
en
Il me le donne. Je le lui donne. Il y en a trois.
Waar precies?
- Gewone zin: vlak voor het werkwoord. *Je le vois.*
- Ontkennend: tussen ne en het werkwoord. *Je ne le vois pas.*
- Passé composé: voor het hulpwerkwoord. *Je l’ai vu*, niet "j’ai le vu".
- Twee werkwoorden: voor het werkwoord waar het bij hoort. *Je vais le faire.*
- Gebiedende wijs, bevestigend: erachter, met een streepje. *Regarde-le !*
Staat er een deelwoord na een le, la of les, dan buigt dat deelwoord mee: *Les photos ? Je les ai vues.* Dat is de enige plek waar een deelwoord met avoir toch een -e krijgt.
Veelgestelde vragen
- Wanneer gebruik ik lui en wanneer le?
- le en la vervangen een lijdend voorwerp: je vois le film → je le vois. lui vervangt à + een persoon: je parle à Marie → je lui parle. Het voorzetsel bij het werkwoord bepaalt welke van de twee je nodig hebt.
- Waar staat het voornaamwoord in de passé composé?
- Vóór het hulpwerkwoord: je l’ai vu, elle nous a appelés. Nooit tussen het hulpwerkwoord en het deelwoord.