Latijnse grammatica

Latijn·Examen

De deelwoorden

Drie deelwoorden, elk met hun eigen tijd: bezig, gedaan, en nog te doen.

Meteen oefenen

3 stappen, 6 oefenzinnen.

Oefenen

Zo loopt dit onderdeel

  1. 1Een werkwoord dat zich als bijvoeglijk naamwoord gedraagtLezen: de regel met de voorbeelden erbij.
  2. 2Welk deelwoord?4 zinnen om zelf te maken.
  3. 3Zelf een zin schrijven2 zinnen om zelf te maken.

Een deelwoord is half werkwoord, half bijvoeglijk naamwoord. Het heeft een tijd en een richting zoals een werkwoord, maar het past zich aan in geslacht, getal en naamval zoals een bijvoeglijk naamwoord.

DeelwoordHerken je aanTijdBetekenis
praesens actief-ns, -ntistegelijkridens = lachend
perfectum passief-tus, -suseerdervictus = overwonnen
futurum actief-uruslatervicturus = die gaat overwinnen

Het participium praesens

Op -ns in de nominativus en op -nt- in de rest: ridens, ridentis, ridentem. Het gaat als een bijvoeglijk naamwoord van de derde declinatie, en de handeling gebeurt tegelijk met het hoofdwerkwoord.

Puella ridens venit. het meisje kwam lachend

Milites pugnantes vidi. ik zag de vechtende soldaten

Het participium perfectum passief

Dit is de vierde vorm uit je woordenlijst: amo, amare, amavi, amatum. Het is passief en de handeling is eerder gebeurd: victus is "overwonnen", scriptus is "geschreven". Het gaat als bonus, bona, bonum.

Urbs capta deleta est. de ingenomen stad werd verwoest

Litterae scriptae sunt. de brief is geschreven

Vier manieren om het te vertalen

Een Nederlandse zin met een deelwoord erin klinkt vaak stroef, en daarom vertaal je hem meestal met een hele bijzin. Welke bijzin, hangt af van wat er bedoeld wordt.

  • Als bijvoeglijk naamwoord: milites pugnantes = de vechtende soldaten.
  • Als tijdbijzin: urbe capta = toen de stad was ingenomen.
  • Als oorzaak: territus fugit = omdat hij bang was, vluchtte hij.
  • Als toegeving: victus non cessit = hoewel hij overwonnen was, gaf hij niet op.

Veelgestelde vragen

Hoe herken ik een Latijns deelwoord?
Aan de uitgang: -ns of -nt- is het participium praesens (tegelijk, actief), -tus of -sus het participium perfectum (eerder, passief), en -urus het participium futurum (later, actief).

Nu zelf invullen

Lezen gaat vanzelf; opschrijven is waar het blijft hangen. 6 zinnen om zelf te maken, en bij elk antwoord staat er in één zin bij waarom het zo is.

Beginnen met oefenen

Andere onderwerpen in het Latijn