Duits·4 min lezen
Duitse werkwoorden: welke rijtjes je echt moet kennen
Zestig sterke werkwoorden dekken bijna elke zin. Hoe je die leert in groepjes die op elkaar lijken, en waarom je met de derde kolom moet beginnen.
Er staat een lijst met tweehonderd sterke werkwoorden in je boek, op alfabet, drie kolommen breed. Iedereen begint bij backen, komt tot een stuk of vijftien, en legt hem weg. Dat is geen gebrek aan discipline; het is een lijst die verkeerd geordend is.
Alfabet is de slechtste volgorde die er is
Op alfabet staat backen naast befehlen naast beginnen. Die drie hebben niets met elkaar te maken behalve hun eerste letter, dus je hersenen kunnen niets aan elkaar knopen. Zet je ze op klank bij elkaar, dan gebeurt er iets anders:
trinken trank getrunken
singen sang gesungen
finden fand gefunden
binden band gebunden
Dat is één patroon: i wordt a wordt u. Vier werkwoorden voor de prijs van één, en je herkent het bij het vijfde dat je tegenkomt. Zo zijn er een stuk of acht groepen, en daarmee heb je de meeste te pakken.
| Patroon | Voorbeelden |
|---|---|
| i - a - u | trinken, singen, finden, binden, springen |
| e - a - o | sprechen, helfen, nehmen, treffen, brechen |
| ei - ie - ie | bleiben, schreiben, steigen, scheinen |
| ei - i - i | greifen, reiten, streiten, pfeifen |
| ie - o - o | fliegen, ziehen, verlieren, schließen |
| a - u - a | fahren, tragen, schlagen, laden |
| e - a - e | essen, geben, lesen, sehen, treten |
Begin bij de zestig die je echt tegenkomt
Van die tweehonderd kom je er in een schooljaar hooguit zestig tegen. sein, haben, werden, gehen, kommen, sehen, geben, nehmen, fahren, essen, trinken, sprechen, lesen, schreiben, finden, bleiben, stehen, liegen, halten, laufen: dat rijtje zit in negen van de tien zinnen die je moet begrijpen of maken.
De derde kolom is degene die je kwijtraakt
De verleden tijd (er sprach) hoor je vooral in geschreven verhalen. Het voltooid deelwoord (er hat gesprochen) heb je in elk gesprek nodig, want dat is hoe een Duitser over gisteren praat. Toch oefent iedereen het rijtje van links naar rechts, waardoor de derde kolom altijd het minst aan de beurt komt.
Draai dat om. Oefen de derde kolom apart, en zet er het hulpwerkwoord meteen voor: niet gesprochen, maar hat gesprochen. Niet gefahren, maar ist gefahren. Dan leer je in één beweging ook of het haben of sein wordt, en dat is precies waar het bij een toets misgaat.
hat gesprochen ist gefahren
hat gegessen ist geblieben
hat genommen ist gekommen
Welke werkwoorden sein krijgen en waarom, staat bij het Perfekt; daar kun je het meteen invullen in hele zinnen.
De klinker die alleen bij du en er verspringt
Een sterk werkwoord verandert vaak ook in de tegenwoordige tijd, maar alleen bij du en bij er/sie/es. Nergens anders. *Ich spreche* blijft gewoon spreche; het is *du sprichst* en *er spricht* die anders zijn.
Dat is de meest aangestreepte fout van het hele hoofdstuk, en hij komt bijna altijd doordat mensen het patroon te ver doortrekken. Oefen daarom nooit alleen "du"-vormen achter elkaar: wissel ich en du af, dan merk je zelf waar de grens ligt. De hele tabel staat bij de tegenwoordige tijd.
Scheidbaar: het voorvoegsel vliegt naar achteren
Bij aufstehen, ankommen, mitnehmen, einladen en tientallen andere springt het eerste stukje in een gewone zin helemaal naar het eind. Nederlands doet precies hetzelfde, dus dit is er één die je bijna gratis krijgt.
Ich stehe um sieben auf. Ik sta om zeven uur op.
Er lädt mich morgen ein. Hij nodigt mij morgen uit.
In het voltooid deelwoord schuift de ge- ertussen: *aufgestanden*, *eingeladen*. En in een bijzin blijft alles bij elkaar, achteraan: *weil ich um sieben aufstehe*.
Hoe je ze op een avond wegwerkt
- Pak één patroongroep, bijvoorbeeld i-a-u. Zeg de vier rijtjes hardop, in ritme, drie keer achter elkaar.
- Schrijf de derde kolom op met het hulpwerkwoord ervoor. Vier regels, meer niet.
- Maak van elk werkwoord één zin over gisteren. *Ich habe Kaffee getrunken.* Nu staat het ergens in.
- De volgende dag: alleen de derde kolom overhoren, zonder de eerste twee erbij. Dat is de kolom die wegzakt.
Zet je die zinnen als eigen lijst in Woordvos, dan komt elk werkwoord vanzelf een paar keer terug, en wat misgaat komt aan het eind van de ronde nog een keer langs.
Veelgestelde vragen
- Hoeveel Duitse sterke werkwoorden moet ik kennen?
- De lijst in je boek heeft er vaak tweehonderd, maar de zestig meest gebruikte dekken verreweg de meeste zinnen. Begin daarmee, en leer ze in groepjes met hetzelfde klinkerpatroon in plaats van op alfabet.
- Wat is de beste volgorde om werkwoorden te leren?
- Op klankpatroon: trinken, singen, finden en binden gaan alle vier volgens i-a-u. Zo leer je vier rijtjes tegelijk, en herken je het vijfde werkwoord dat hetzelfde doet.
- Waarom vergeet ik steeds het voltooid deelwoord?
- Omdat je het rijtje altijd van links naar rechts oefent en de derde kolom dus het minst aan de beurt komt. Oefen die kolom apart, met het hulpwerkwoord ervoor: hat gesprochen, ist gefahren.