Lijsten
Mondelingen
Latijn leren op Woordvos
Voor Latijn staat het basisvocabularium klaar: vijfhonderd woorden in de volgorde waarin ze overhoord worden, en per woord elke betekenis apart. Bij een zelfstandig naamwoord komt de tweede naamval erbij en bij een werkwoord de stamtijden, want zonder rex, regis weet je niet in welke declinatie je zit.
Latijn leer je niet om het te spreken maar om het te lezen, en dat verandert wat je moet oefenen. Een woord herkennen is hier niet genoeg: je moet aan de uitgang zien wat het in de zin doet. Daarom ligt bij de grammatica het zwaartepunt op de vormen zelf, met tabellen die je invult in plaats van naleest.
Latijnse grammatica
Van de naamvallen tot de ablativus absolutus. Elk onderdeel begint met de les en de tabel, daarna vul je die tabel zelf in, en daarna herken je de vormen in hele zinnen.
- De zes naamvallenDe uitgang zegt wat een woord in de zin doet. Daarom mag de volgorde vrij zijn.
- De eerste en tweede declinatieDe a-woorden en de us-woorden: samen het grootste deel van je woordenlijst.
- De derde declinatieDe grootste groep, en de enige waarbij je de nominativus niet kunt raden.
- Bijvoeglijke naamwoordenZe passen zich aan in geslacht, getal en naamval, maar niet per se in declinatie.
- Voornaamwoordenis, ea, id voor "hij, zij, het", hic en ille voor "deze" en "die", qui voor "die" in een bijzin.
- Comparativus en superlativusSterker, sterkst: -ior en -issimus, en een ablativus in plaats van "dan".
- Het praesensZes persoonsuitgangen, vier conjugaties, en de klinker die het verschil maakt.
- Imperfectum en perfectumHet was aan de gang, of het is gebeurd: -ba- tegenover een eigen stam.
- Futurum en plusquamperfectumWat er nog komt, en wat er al gebeurd was voordat het verhaal begon.
- Het passiefVijf uitgangen die je nergens anders ziet, en een voltooid deelwoord met esse.
- De deelwoordenDrie deelwoorden, elk met hun eigen tijd: bezig, gedaan, en nog te doen.
- De ablativus absolutusTwee woorden in de ablativus die samen een hele bijzin vervangen.
- De accusativus cum infinitivoNa "zeggen", "denken" en "horen" wordt het onderwerp een accusativus en het werkwoord een infinitief.
- De coniunctivusDe wijs voor wat gewenst, gevreesd of gedacht wordt, en voor bijna elke bijzin.
- Gerundium en gerundivumEen werkwoord als zelfstandig naamwoord, en een werkwoord als "wat gedaan moet worden".